Bedrijfs-karakteristieken hebben een doorslaggevende impact op hoe Belgische bedrijven omgaan met emissiehandel

Bedrijfs-karakteristieken hebben een doorslaggevende impact op hoe Belgische bedrijven omgaan met emissiehandel

The effect of firm characteristics on the way Belgian firms comply with the EU Emissions Trading System (2020)
over de thesis van Timea De Wispelaere

Promotor(en) Prof. dr. Klaas Mulier, Faculteit Economie en Bedrijfskunde

lib.ugent.be
[elementor-template id="713"]
Interview Heleen Schockaert | Redactie Emma Moerman, Lore Ramon

Hoe kwam je op het onderwerp van je thesis?
Ik heb het altijd al belangrijk gevonden om bezig te zijn met het milieu. Zowel op persoonlijk vlak als op beleidsniveau. De keuze om een duurzaam thema te onderzoeken binnen het kader van mijn thesis was dus evident. Samen met mijn promotor, die zelf ook bezig is met milieufinanciering zoals met de green bonds (groene obligaties, red.), ging ik op zoek naar een passend thema. En zo kwamen we uit bij emissiehandel.

Geld is tot nu toe belangrijk geweest in beleidsvorming, zonder daarbij na te denken op lange termijn. Door de financiële tegemoetkoming gekoppeld aan de emissiehandel, wordt er nu wel duurzame groei nagestreefd. Win-win dus.

Kan je toelichten wat het emmissiehandelssysteem precies is?
Om tegen 2050 een klimaatneutrale EU te bereiken en de tussentijdse doelstelling van een nettovermindering van de broeikasgasemissies met ten minste 55% tegen 2030 te halen, stelt de Commissie voor het toepassingsgebied van de EU-ETS te herzien en eventueel uit te breiden. De EU-ETS werkt volgens het “cap and trade”-principe.

Er wordt een bovengrens (cap, red.) gesteld aan de totale hoeveelheid van bepaalde broeikasgassen die mag worden uitgestoten door installaties die onder het systeem vallen (bv. bedrijven, luchtvaart, scheepsvaart). Het plafond wordt in de loop van de tijd verlaagd, zodat de totale uitstoot daalt.

Binnen het plafond ontvangen of kopen bedrijven emissierechten, die zij naar behoefte onderling kunnen verhandelen (trade, red.). Zij kunnen ook beperkte hoeveelheden internationale emissierechten kopen van emissiebesparende projecten over de hele wereld en kunnen die rechten ook kopen op veilingen van de EU. De beperking van het totale aantal beschikbare emissierechten zorgt ervoor dat deze een waarde hebben. Bedrijven die kunnen investeren en op een kosten-efficiënte manier hun CO2-uitstoot naar beneden kunnen halen, gaan dat daardoor ook doen. Bedrijven die dat niet kunnen, gaan extra rechten kopen.

Na elk jaar moet een bedrijf genoeg emissierechten inleveren om al zijn emissies te dekken. Als een bedrijf zijn uitstoot vermindert, kan het de overtollige emissierechten houden om in zijn toekomstige behoeften te voorzien of verkopen aan een ander bedrijf dat te weinig rechten heeft.

Handel van emissierechten zorgt voor de nodige flexibiliteit zodat de uitstoot van broeikasgassen wordt verminderd waar dat het minst kost. Een stevige koolstofprijs bevordert ook investeringen in schone, koolstofarme technologieën.

Wat als een bedrijf zich niet aan de emissierechten houdt?
Dan betaalt dat bedrijf een boete per ton uitstoot waar het geen rechten voor had. Maar naar mijn bevindingen in de Belgische context gebeurt dat bijna nooit. De uitstoot van de Belgische bedrijven kwam overeen met het aantal rechten in hun bezit.

Bekijk bovenstaand filmpje voor meer context rond het EU-ETS.

Hoe sta jij tegenover het emissiehandelssysteem?
Wat ik mooi vind aan het systeem is dat via marktkrachten (wet van vraag en aanbod – financiële incentive) de uitstoot in de Europese Unie als geheel daalt op een kostenefficiënte manier. Dankzij het systeem van emissierechten wordt er nagedacht over slimmer produceren (innovaties) waardoor we er op lange termijn op vooruitgaan (groene economie).

Maar er zijn dus meerdere manieren om als bedrijf met je uitstoot om te gaan?
Er zijn inderdaad twee manieren om hiermee om te gaan. De eerste manier is het bijkomen van rechten, wanneer je met je eigen rechten je uitstoot niet kan dekken. Dan zien de bedrijven dat puur als een compliance kost die in de boekhouding komt. Maar dat is niet het doel van ETS. Het is net de bedoeling om duurzame alternatieven te zoeken waardoor er evenveel geproduceerd kan worden met minder uitstoot.
Bedrijven die duurzame alternatieven doorvoeren, hanteren de tweede manier om met hun uitstoot om te gaan. Zij kiezen ervoor hun uitstoot te verminderen, waardoor ze geen emissierechten moeten bijkopen.

Aan het begin van dit interview zei je dat de ‘cap’ van het systeem, systematisch verlaagd wordt. Het aantal toekenningen van emissierechten wordt dus gereduceerd. Hoe komt dat?
Het probleem is dat de EU in het begin te veel rechten gratis had aangeboden. Er is wel altijd een gratis proportie. Zo wordt er een berekening gemaakt per bedrijf naar hoeveel emissierechten het nodig zal hebben om de uitstoot te dekken. Een bepaald percentage van die berekening krijgt het bedrijf gratis. Maar dit percentage is gedaald over de jaren heen. Voor de uitstoot die ze niet kunnen dekken met de gratis toegekende emissierechten, moeten bedrijven dus een oplossing vinden: uitstoot verminderen of extra rechten aankopen.

Tijdens het pilootproject van het emissierechtensysteem, dat liep van 2005 tot 2007, moesten bedrijven heel weinig moeite doen om in orde te zijn met de emissierechten, omdat ze er zoveel gratis kregen. Daarnaast werd beleid ingevoerd te midden van de economische crisis, wat de situatie nog complexer maakte. Maar sinds 2008 stabiliseert de emissiemarkt zich stilaan en is het spel van vraag en aanbod nu wel goed in gang geschoten.

Wat zijn de belangrijkste conclusies uit jouw onderzoek?
Mijn onderzoek voerde ik uit bij Belgische bedrijven. De belangrijkste resultaten zijn dat oudere en grotere bedrijven met een lagere schuldgraad, meer moeite doen om hun koolstofintensiteit naar beneden te halen en dus op een duurzame manier produceren. Dat bewijs kwam overtuigend naar boven in verschillende modellen. Ondanks mijn dataset klein was (148 geïncludeerde bedrijven) vond ik dat heel opmerkelijk. De bedrijfskarakteristieken hebben dus een doorslaggevende impact op hoe Belgische bedrijven omgaan met emissiehandel.

Bij KMO’s bleek dat hoe ouder ze zijn, hoe meer ze inzetten op het naar beneden halen van hun koolstofintensiteit. Maar doordat de overheid KMO’s sterk steunen met bv. groene subsidies om hen aan te sporen hernieuwbare energie te gebruiken, denk ik dat er een verband is tussen de wil om in te zetten op het verminderen van de uitstoot en het krijgen van overheidssubsidies. Dit moet verder onderzocht worden. Als er effectief een causaal verband bestaat tussen die groene subsidies en de manier waarop KMO’s omgaan met de emissiehandel, kan dit interessant zijn om gelijkaardige subsidies toe te kennen aan andere types bedrijven. Bijvoorbeeld aan bedrijven met een hoge schuldgraad.

Kleinere bedrijven bleken eerder emissierechten bij te kopen dan te investeren in duurzame productieprocessen. Ik denk dat dit te maken heeft met dat deze bedrijven bepaalde essentiële aspecten missen die hen in staat stellen hun koolstofintensiteit te laten dalen. Dan denk ik aan kapitaal, kennis of systemen om veranderingen door te voeren. Maar ook dit moet nog verder onderzocht worden. Als verder onderzoek aantoont wat de precieze redenen zijn bij het kiezen voor de ene of andere strategie, dan kan de Belgische wetgeving hierop inspelen. Dan kunnen bedrijven getarget en ondersteund worden om hun koolstofintensiteit te verminderen.

Heb je nog tips voor de opleiding?
Ik vind dat wij als economiestudenten meer moeten gevormd worden in het langetermijndenken en moeten leren over duurzame manieren van groei. Dat hebben we te weinig meegekregen.

Enkel in het vak ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’ kwamen er duurzaamheidsaspecten oppervlakkig aan bod. De lessen over ‘green finance’ waren nuttig, maar mijns inziens onvoldoende.

Video: L’ADEME, YouTube

De redactie vroeg postdoctoraal onderzoeker Anneleen Kenis te reageren op dit artikel. Anneleen is onderzoeker bij Vlaamse Fonds Wetenschappelijk Onderzoek (FWO) en is verbonden aan het Departement Aard- en Omgevingswetenschappen (KU Leuven) en het Centrum van Duurzame Ontwikkeling (UGent). Ze behaalde een doctoraat in de bio-ingenieurswetenschappen (Political Ecology) en een master in Psychology and Sustainable Development and Human Ecology.

Emissiehandel klinkt mooi in theorie, maar er zitten een aantal addertjes onder het gras. Dit is uiteraard niet de plaats om op alle details in te zoomen. Ik wil dan ook vooral een aantal fundamentelere problemen met de filosofie achter het systeem aanhalen.

Om te beginnen moeten we ons afvragen of bedrijven door emissiehandel inderdaad ‘duurzame groei’ gaan nastreven zoals Timea beargumenteert. Je zou ook kunnen stellen dat bedrijven proberen om de economische balans te doen kloppen en vanuit dat perspectief inzetten op die piste die voor hun economisch gezien het interessantste is: voor sommigen is dat de uitstoot verminderen door bvb. in te zetten op schonere technologieën, voor anderen is dat uitstootrechten kopen. Dat lijkt ook de conclusie van Timea’s onderzoek te zijn. Heel wat bedrijven vinden binnen het kader van emissiehandel geen incentive om de uitstoot te verminderen. Voor hun is het economisch interessanter emissierechten op te kopen, en voor het overige business as usual aan te houden.

Deze economische logica is niet zonder gevolgen. Zeker niet als je daar ook ook nog eens het fluctuerende karakter van de prijs van uitstootrechten binnen het emissiehandelssysteem aan toevoegt. De economisch meest interessante manier om de uitstoot te verminderen is namelijk niet per se de meest duurzame. Doordat de prijs van emissierechten in het emissiehandelssysteem afhankelijk is van het spel van vraag en aanbod wordt het voor bedrijven bovendien moeilijk om op lange termijn te plannen. Grote investeringen in schone technologieën zijn economisch gezien enkel interessant als je er op aan kan dat de prijs van uitstootrechten significant blijft. Omdat dat binnen het emissiehandelssysteem niet gegeven is, is er een tendens om in te zetten op incrementele aanpassingen die op korte termijn efficiëntiewinst toelaten, maar niet per se het meest duurzaam zijn op de lange termijn.

Fundamenteler kan je stellen dat emissiehandel zich helemaal niet bezig houdt met de echte vraag, met name hoe de transitie te maken naar een maatschappij die niet langer afhankelijk is van fossiele brandstoffen. De incentive die gegeven wordt gaat er net om zaken te veranderen op zo’n manier dat je zo weinig mogelijk echt moet veranderen.

Het emissiehandelssysteem houdt overigens ook helemaal geen rekening met de vraag waar de uitstoot van vandaan komt. Heel concreet: welke goederen of diensten geproduceerd werden en tot de uitstoot van broeikasgassen hebben geleid. Ook in die zin omzeilt het de echte politieke en sociale vraag. De CO2-uitstoot die gepaard gaat met de productie van wapens wordt spreekwoordelijk gelijk gesteld aan de CO2 uitstoot die het gevolg is van de productie van essentiële goederen. Denk bijvoorbeeld, om bij de actualiteit te blijven, beademingstoestellen tijdens de corona-crisis. Technisch gezien is een ton CO2 gelijk aan een ton CO2, maar sociaal en politiek gaat het natuurlijk om heel andere zaken.
Of om hier nog even verder op door te gaan: met de corona-crisis hebben we eigenlijk voor het eerste in lange tijd maatschappelijk weer een onderscheid leren maken tussen essentiële en niet-essentiële winkels, en de bijhorende producten. Dat is dus net wat het emissiehandelssysteem niet doet. Door de logica van verhandelbare emissierechten zeg je net dat het niet uitmaakt wat er geproduceerd wordt en waar de uitstoot daalt: of dat nu is door minder fietsen of minder 4X4’s te produceren, zolang de uitstoot maar over het hele plaatje genomen naar beneden gaat. Het punt is natuurlijk dat we fietsen nodig hebben in een duurzame samenleving, terwijl we 4X4’s als kiespijn kunnen missen.

Om nog even terug te komen op wat ik eerder zei over het fluctuerende karakter van de prijs van emissierechten binnen het emissiehandelssysteem: wat Timea beschreef met betrekking tot de economische crisis, en de te lage prijzen van emissierechten bij de start van het ETS, zagen we overigens met de corona-crisis opnieuw gebeuren. Terwijl klimaatactivisten een gat in de lucht sprongen toen bleek dat voor het eerst sinds lange tijd de uitstoot van broeikasgassen significant daalde, stortte de prijs van emissierechten meteen in elkaar. Bij gevolg was er een incentive voor bedrijven om vervuilende productielijnen weer in werking te stellen. Dat is overigens één van de meest fundamentele problemen van het emissiehandelssysteem: een cap wil niet alleen zeggen dat je niet veel meer mag uitstoten, maar ook dat je niet veel minder kan uitstoten. Het is te zeggen: van het moment dat je dat wel doet, stort de prijs van je emissierechten in elkaar en moedig je andere bedrijven aan weer meer te gaan uitstoten. Op die manier legt het emissiehandelssysteem een keurslijf rond elk duurzaamheidsbeleid.

Om te eindigen: zoals Timea beargumenteert is het doel van het ETS om duurzame groei te realiseren. De vraag is echter of het concept van duurzame groei geen contradictie in terminus is. Zelfs als een relatieve ontkoppeling tussen economische groei en milieudruk mogelijk is (m.a.w. als de productie van een bepaald goed, bvb. door efficiëntere technologieën, relatief gezien met minder CO2 uitstoot gepaard gaat), zijn we er nog steeds aan voor de moeite als tegelijkertijd de omvang van de economie blijft groeien (simpel gesteld: als er steeds maar meer goederen geproduceerd worden), waardoor de totale uitstoot – ondanks die relatieve ontkoppeling – wel nog steeds toeneemt i.p.v. naar beneden te gaan.